
Ze liggen wat dieper in het weidse land tussen de rijksweg Venlo-Nijmegen en de Maas. Wie met de auto van zuid naar noord zoeft, laat Ayen en Bergen letterlijk links liggen. Zonde is dat, want het zijn mooie dorpen. Vroeger waren het enclaves. Zeker in de tijd als het water van de Maas ging wassen. En dat gebeurde bijna ieder jaar. Jan de Jong, de fotograaf van De Spaarnestad, is voor zover we na kunnen gaan één keer in Bergen geweest. Op 7 oktober 1932 fotografeerde hij vanuit twee standpunten de op dat moment nieuwe dorpskerk. Bijna tachtig jaar later gaan we over smalle wegen - wellicht dezelfde als waarover hij in zijn T-Ford reed - op zoek naar de plekken waar het statief van de platencamera werd uitgeklapt. Via de autoradio horen we verontrustende berichten over het stijgende waterpeil van de Maas. Gids in de kop van Limburg is John Josten, geboren in Bergen in 1950. Net van de lagere school af verhuisde hij met zijn ouders en broers naar Venlo. Als we bij Well afslaan van de rijksweg en koers zetten richting Maas, vertelt hij dat hij in de zomermaanden heel vaak dit gebied doorkruist per brommer. John Josten: “Geboortegrond trekt. Ik ben overal op de wereld geweest. Maar hier hangt een hele bijzondere trilling. Mijn vader kwam van Ayen. Hij is geboren op een boerderij bij de Antoniuskapel. Mijn moeder is van de Achterhoek. Toen mijn vader geëvacueerd was in 1945, heeft hij haar leren kennen. Na de oorlog zijn ze in Bergen gaan wonen. In mijn jeugd was dat nog echt een dorp op zichzelf. Ik kwam Bergen bijna nooit uit. Mijn hele leven speelde zich er af. Venlo of Boxmeer waren verre, andere werelden. Mijn vader was handelsreiziger. Hij nam een keer blikjes sardientjes mee. Dat was toen nog iets heel bijzonders. Ik denk dat het Bergen van mijn jeugd qua mentaliteit niet veel verschilde van het Bergen van Het glazen album van Limburg.“
Moeiteloos vinden we de standpunten terug die Jan de Jong innam. Zo groot is Bergen nu ook weer niet. De situatie van toen wordt vergeleken met die van nu en de conclusie is dat er toch veel is veranderd. We starten de auto weer en rijden in oostelijke richting naar Nieuw-Bergen, een moderne dorpskern aan de Rijksweg. In de tijd dat John Josten kind was, heette het hier nog ‘Op de hei’. Een toepasselijk toponiem. De eerste huizen werden er gebouwd eind jaren vijftig, begin jaren zestig. We gaan op bezoek bij Jaap Poels (1926) en zijn vrouw Gré Poels-Koch (1927), vitale tachtigers die het Bergen uit de tijd van Het glazen album van Limburg door en door kennen. Ze zijn verrukt van de beide foto’s. Minutieus worden de opnames bestudeerd. Jaap Poels: “Moet je toch eens kijken. Hier rechts, bij kapper Smits. Er steekt een eenvoudig bordje uit met ‘Kapper’. Daar hadden de mensen genoeg aan. Nu hangt een hele gevel van een kapperszaak vol met neonreclame. Ik heb me er vaak laten knippen. Naar Smits gingen de mensen ook om zich te laten scheren. In de oorlog werd er veel gekaart. Het was eigenlijk een soort clublokaal. In het midden staat het oude gemeentehuis en links ervan de kapel. Die zijn na de oorlog afgebroken. Het gemeentehuis was een prachtig pand. Het is zo jammer dat het gesloopt is. En waarom? Nieuwe heren, nieuwe wetten, zullen we maar zeggen. Weet je hoe we de elektriciteitpalen noemden? ‘Brompaole’. Als je erbij in de buurt kwam ,hoorde je bovenin een zacht gebrom. De straat werd om de zoveel tijd verhard met grind. Wij pikten er altijd de grote keien uit om mee te spelen.”
Over spelletjes gesproken. Geliefd onder de dorpsjeugd was ‘bandele’. Hoepelen. De jongens renden door de straat en wie het eerst aan de finish was, had gewonnen. De hoepel, die natuurlijk niet mocht vallen, werd voortbewogen met een tot vork gebogen draad. Als er paardenrennen waren geweest, maakten de kinderen in de dagen erna hun eigen baan en speelden ze paardje. Iemand kreeg een touw omgeslagen en was het paard, de ander holde erachteraan. In de Maas werd gezwommen en gevist. Vooral in de zomervakanties was het een geliefde speelplek. Sinterklaas kwam ieder jaar op bezoek op school. Jaap Poels: “Ik was een kwajongen en moest dus vaker bij Sinterklaas komen. We hadden het thuis niet breed. Nieuwe cadeautjes zaten er niet aan. Het was tweedehands:speelgoed dat een likje verf had gekregen. Maar we waren er zielsgelukkig mee, hoor!”. “Mijn moeder,” zo vult Gré Poels-Koch aan, “maakte van oude, zwarte sokken een pop. Met wit garen kreeg die krulletjes. Ogen, wenkbrauwen, een neusje en een mond en klaar was de pop. We waren er heel erg blij mee. Wij woonden bij de grens, net op het Hollands. Mijn vader werkte in een klooster op het Duits. Daar vierden we Weihnachten. Je kreeg koekjes en een sinaasappel. Nou, dat was wat. Een sinaasappel. Daar hadden we thuis geen geld voor om te kopen.”
Gré Poels-Koch moest iedere dag dik vijf kilometer lopen naar school. En uiteraard ook weer terug. Ze wandelden altijd met een groepje kinderen uit de buurt. In de winter als de sneeuw hoog lag, soms wel tot een meter, gingen de vaders die aan de route woonden in estafette mee. Met een schop werd de sneeuw weggeschoven, zodat er een paadje was waar de kinderen overheen konden schuifelen. De meisjes en jongens zaten in hetzelfde schoolgebouw, maar de scheiding der seksen was streng. Je had de meisjesschool - de denneschoeël in het Bergens dialect - en de jongensschool. Samen spelen op het schoolplein, bijvoorbeeld haasje-over, was verboden. Er werd toezicht op gehouden door het onderwijzend personeel dat nogal vlot de stelregel hanteerde: wie niet horen wil, moet maar voelen. Op straat werd wel onderling gespeeld. Het wekelijkse badritueel had allerlei codes. Gré Poels-Koch: “Door de week wasten we ons gezicht en onze handen aan de pomp. Op zaterdag gingen we ‘in de kuùp’. Het water werd warm gemaakt in de ketel, waarin ook het voer voor de varkens werd klaar gemaakt. Je waste je op de stal. We hadden thuis acht kinderen en de oudsten wilden natuurlijk niet dat andere keken als ze in de teil zaten. Na vier kinderen werd het water ververst. Met het badwater werd de stoep geschrobd. Ik hoorde bij de jongsten en zorgde ervoor dat ik de eerste was van de tweede lichting. Dan had ik lekker schoon water.”
De tijd leek stil te staan in Bergen. Leek. Tot de tiende mei 1940, de dag van de inval door de Duitsers. Jaap Poels: “Mijn vader was de dorpstimmerman en moest die dag heel vroeg uit de veren om bomen om te zagen die de Duitsers tegen zouden moeten houden. Hij vertrok met zijn zaag op de fiets. Veel baatte het niet, want de Duitsers reden er met hun tanks overheen. Ze stonden in een mum van tijd aan de Maas. Ze waren eerder in Bergen, dan mijn vader met de fiets. Van de overkant van de Maas werd geschoten door Nederlandse militairen. Bergen moest weg vanwege het gevaar. We gingen de Rijksweg over en zijn er bij boeren gebleven. Een dag of twee. Toen we terugkwamen, waren de Duitsers bezig met de aanleg van een brug op de plek van het veer. Wij vonden dat enorm interessant. De school was door de Duitsers gevorderd. Nou, dat vonden wij natuurlijk helemaal niet erg!”