Home
A A A
Home Bezoek Zien en doen Onderwijs Kids Collecties
Print
Home Tentoonstelling Achtergrond IXEA webwinkel Bezoek Latijn Restaurant Vragen?

Fresco's uit de villa van Vlengendaal: na bijna 100 jaar weer samen


Limburg en het Rijksmuseum van Oudheden (RMO) hebben een lange gezamenlijke geschiedenis. Op zich is dat niet zo vreemd omdat de provincie het rijkst is bedeeld met archeologische vondsten en het Leidse museum er veel van in haar bezit heeft. Niet altijd tot vreugde van veel Limburgers, overigens.De oudste vondsten van Nederland komen uit Limburg en ook de meest de kostbare. In de groeve Belvédère bij Maastricht zijn ongeveer 250.000 jaar oude stukken vuursteen gevonden, in een kampje aan de oevers van de Maas waar een kleine groep vroege Neanderthalers bivakkeerde.De kostbaarste vondst is lastiger vast te stellen. Is het de gouden helm uit de Peel, de sierschijf van Helden, de gouden halsring uit Heerlen of de sarcofaag van Simpelveld? Is het de geldelijke waarde of is het juist de wetenschappelijke kennis die een vondst kostbaar maakt? In ieder geval is duidelijk dat het RMO kostbare stukken in haar verzameling heeft. Nog iets opvallends is dat er juist zoveel uit Limburg in de collectie zit. Met die topstukken is dat misschien begrijpelijk, maar ook de gewonere vondsten zijn goed vertegenwoordigd. Dat komt mede door het vroege tijdstip dat het museum in Limburg ging opgraven. De eerste conservator met een aanstelling uitsluitend voor de Nederlandse archeologie, J.H. Holwerda (1873-1951), begon al in 1905 met het wetenschappelijk veldonderzoek. Dat deed hij snel samen met het Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap (LGOG) en vooral met de secretaris J.W.H. Goossens (1869-1933). Holwerda had met name belangstelling voor het onderzoek van Romeinse villa’s en tussen 1906 en 1950 zouden hij en andere medewerkers er een kleine 30 opgraven of er waarnemingen doen. Die samenwerking kende een bijzondere regeling. De afspraak was steeds dat de ene helft van de vondsten naar Leiden ging en de andere helft naar Maastricht.

Leidse belangstelling voor Limburg
Het Rijksmuseum van Oudheden werd opgericht in 1818, maar de belangstelling voor Limburg was niet groot. Dat veranderde toen in 1904 J.H. Holwerda werd aangesteld als conservator voor de Nederlandse archeologie. Hij was de zoon van de directeur, was opgeleid als klassiek archeoloog en ging in 1905 op reis om zich de kennis van de vaderlandse archeologie eigen te maken. Hij bezocht ook Limburg en kreeg al snel belangstelling voor de Romeinse villa’s. In 1906 stak hij, althans zijn arbeiders, de eerste schop in de grond en legde de fundamenten van de villa van de Heihof bij Valkenburg bloot. Al bij dit eerste onderzoek werkte hij samen met Willem Goossens en dat resulteerde in een overeenkomst waarin het LGOG het RMO ondersteunde bij de opgravingen. Een belangrijk onderdeel daarvan was de afspraak dat de vondsten van de opgraving werden verdeeld. De ene helft ging naar Leiden en de andere helft naar Maastricht. Van de belangrijkste stukken werden door Leiden kopieën gemaakt in gips. Vandaar dat er in zowel Leiden als in Maastricht altijd de helft van de vondsten origineel is en de andere helft replica.

De fresco’s van Vlengendaal
In 1911 en 1913 werd bij Vlengendaal, een klein gehucht ten zuidoosten van Bocholtz een villa onderzocht. De villa ligt op een terrein dat bekend staat als In den Berg. (figuur 1)

In twee zomers werden een hoofdgebouw en twee bijgebouwen blootgelegd, totaal een gebied van ca. 125 bij 60 meter. De twee bijgebouwen zullen als schuren zijn gebruikt voor opslag en andere activiteiten; het hoofdgebouw voor woondoeleinden. Rond een open binnentuin lagen twee woonblokken met elkaar verbonden door twee zuilengalerijen. In het westelijke woonblok waren de belangrijkste woonfuncties geconcentreerd. Hier lagen enkele kamers met vloerverwarming, de zogenaamde hypocaustum, en de badvertrekken.

De villa werd gebouwd in de eerste helft van de tweede eeuw en was tot in de eerste helft van de derde eeuw in gebruik. Toen werd het vernield door binnenvallende Germaanse stammen. Daarna zal het villaterrein als groeve zijn gebruikt voor nog bruikbare bouwmaterialen. Tijdens de vernieling en verdere sloop in de eeuwen daarna zijn fragmenten van muurschildering terechtgekomen in de verwarmingruimte onder de vloeren. (figuur 2) Ze werden in grote getale bij de opgraving aangetroffen, maar slechts een klein aantal (177 stuks) is bewaard gebleven. In de publicatie van Goossens uit 1918 wordt er nauwelijks aandacht besteed aan de wandschilderingen. Bij een kort en bondig lijstje van bouwresten meldt hij talloze fragmenten van pleisterwerk met beschildering. P.F.J.M. Hermesdorf schreef in 1953 in de Maasgouw een artikel over de technische aspecten van de muurschilderingen van Vlengendaal. Hij ging niet zo zeer in op wat er afgebeeld was, maar besteedde juist aandacht aan de mortelsamenstelling, de gevolgde techniek en de chemische samenstelling. In 1980 publiceerden Louis Swinkels en Eric Moormann een artikel over de frescofragmenten en gingen juist in op de afbeeldingen en maakten een reconstructie van het systeem achter de schilderingen. De studie werd bemoeilijkt door de regeling tussen het RMO en LGOG om de vondsten te delen. Na de opgraving belandden namelijk 41stukken in Leiden en 136 stukken in Maastricht. Nooit kwamen ze meer bij elkaar op één tafel om ze gezamenlijk te bestuderen.

Uit de 177 fragmenten konden de onderzoekers 7 versieringswijzen reconstrueren, waarbinnen enkele panelen onderscheiden konden worden.

Romeinse wandschilderingen bestaan meestal uit een opbouw van een onderfries, een middendeel en een bovenfries met daarbinnen verschillende rechthoekige panelen. In onze streken waren de ze meestal eenvoudig uitgevoerd en stelde de schildering vaak een imitatie van natuursteen of andere kostbare materialen voor. Naturalistische afbeeldingen waren een zeldzaamheid. In Vlengendaal kon slechts één wand gereconstrueerd worden met drie op elkaar aansluitende panelen.

Na 100 jaar weer samen.
Toen de IXEA tentoonstelling werd voorbereid viel de keuze op de fresco´s van Vlengendaal om te gebruiken voor de slaapkamer. Eerst moesten ze opnieuw onderzocht worden en dat deed Lara Laken, een specialist op het gebeid van wandschilderingen. (figuur 3) Daaruit bleek dat de gepubliceerde reconstructie nog steeds geldig te zijn. Er werd een schets gemaakt van de wand en een decorschilder bracht het patroon van panelen met de natuursteenimitatie aan. (figuur 4) Het werd een kakelbont geheel waarin sommige marmer-imitaties meer weg hebben van spiegeleieren. In de wand werden kleine ruimtes uitgespaard waarin de originele fragmenten waarop de reconstructie was gebaseerd, konden worden geplaatst.

Vlak voor de opening van de tentoonstelling eind maart was het zover. De stukken uit de verzameling in Leiden en uit Maastricht werden in één wand opgenomen. Na bijna honderd jaar zijn ze weer (deels) verenigd.

Afbeeldingen

Afbeelding 1
De opgraving in Vlengendaal resulteerde blijkbaar ook in een grote publieke belangstelling. Een keurig gekleed gezelschap liet zich in 1913 vereeuwigen op de rand van de kelder met hypocaustumverwarming. Op de achterste rij vierde van links J.H. Holwerda en tweede van rechts J.W.H. Goossens. (foto Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

Figuur 2
Tegen een wand poseert de voorgraver A. Bosch als een menselijke schaalstok. Hij staat in de kelder met hypocaustumverwarming waar de meeste van de frescofragmenten zijn gevonden. Op de voorgrond nog enkele pijlers. (foto Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

Figuur 3
Lara Laken laat hier een groot frescofragment zien met een spiegelei-achtige versiering. Het stuk komt uit de Leidse verzameling en de schildering imiteert vermoedelijk een mediterrane natuursteensoort. (foto Limburgs Museum, Venlo)

Figuur 4
Een slaapkamer in de tentoonstelling IXEA, je Romeinse woonwarenhuis. De kast en het bed zijn gemaakt naar voorbeelden uit de sarcofaag van Simpelveld. De achterwand is de gereconstrueerde fresco uit de villa van Vlengendaal met originele fragmenten uit Maastricht en Leiden. (foto Limburgs Museum, Venlo)

Meer lezen:
Goossens, W., 1918: Die Römische Villa bei Vlengendaal. Internationales Archiv für Ethnographie 24, 1-22.

Hermesdorf, P.F.J.M., 1953: Muurschilderingen uit de Romeinse villa te Vlengendaal, gemeente Bocholtz. Hun technische opbouw. De Maasgouw 72, 121-126.

Swinkels, L.J.F. & E.M. Moormann, 1980: Wall-Painting Fragments from a Roman Villa at Vlengendaal (Bocholtz). Berichten van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek 30, 347-365.